Forum

Uitleg over Niet Aangeboren Hersenletsel en de gevolgen van NAH

Van: Bericht

Conny
6 6 2013 00:21
Niet aangeboren hersenletsel (NAH)

We spreken van NAH als het letsel op “latere” leeftijd is ontstaan, het is dus niet vanaf de geboorte aanwezig.
NAH kan dus ook al op zeer jonge leeftijd ontstaan, het komt niet alleen voor bij wat oudere mensen.

Door het NAH zien we een breuk of een knik in de ontwikkeling; er ontstaat een ongelijk patroon van vaardigheden.
(Een aantal eenvoudige praktische vaardigheden kan iemand ineens kwijt zijn, terwijl hij of zij bijvoorbeeld wel hele ingewikkelde berekeningen kan maken)

Ter verduidelijking van de problemen die kunnen ontstaan als er iets in de hersenen niet helemaal goed functioneert, zal eerst kort uitgelegd worden wat de hersenen precies zouden moeten doen…
Alleen de belangrijkste dingen worden genoemd, om het niet te ingewikkeld te maken.

De hersenen

De hersenen kunnen onderverdeeld worden in:

1. De hersenstam

Deze zorgt voor het in leven houden van het lichaam (ademhaling, bloeddruk, enz.), het regelt de reflexen (met de ogen knipperen bijv.), het regelt het waak- en slaapritme.

2. De kleine hersenen

Deze zorgen ervoor dat spierbewegingen wat soepeler verlopen (stuurt de bewegingen bij). Iedere cel heeft ongeveer honderdduizend uitlopers…

3. De tussenhersenen

Deze verwerken de informatie die via alle zintuigen binnenkomt (zien, horen, ruiken, voelen), beïnvloeden het gedrag (de emotionele toestand waar iemand in verkeert, hormonen, stofwisseling, geheugen) en ze regelen de uitgaande motoriek (automatische bewegingen, en de coördinatie tussen de bewegingen)

4. De grote hersenen (linker- en rechterhelft met verschillende functies)

1. Linkerhelft:

Begrijpen en uiten van woorden
Verwerken van opeenvolgende gebeurtenissen
Analyseren, details ontdekken
Denken in taal
Tot actie komen (denken en handelen)

2. Rechterhelft:

Begrijpen en uiten van gezichtsuitdrukkingen, gebaren, stemintonaties
Ruimtelijke informatie
Het overzien van gehelen
Onbewust denken, intuïtie
Het aanleren van nieuwe informatie
Het afremmen van het eigen denken en de eigen handelingen

5. De hersenholtes
Deze zijn gevuld met vocht en beschermen de hersenen.

Een aantal soorten letsel
Misschien kun je je nu voorstellen wat er gebeurt op het moment dat de hersenen flink gaan bewegen in het hoofd, bijvoorbeeld bij een val, een botsing, dus bij een harde beweging van het hele hoofd (bijv. bij een aanrijding van achter).
De hersenholtes kunnen tot op zekere hoogte de beweging opvangen, maar uiteindelijk kunnen de hersenen zelfs de binnenkant van de schedel raken.
De verschillende delen van de hersenen kunnen daardoor gekneusd raken, of zelfs helemaal hun functies kwijtraken.

Dit noemen we een hersenkneuzing, of met een moeilijk woord: Contusio Cerebri. Er zijn dan verschillende informatiestroompjes afgesneden of onderbroken. Informatie komt niet meer op de goede plek de hersenen binnen en de hersenen kunnen het lichaam niet meer optimaal regelen.
Bij een hersenbloeding sterft er een deel van de hersenen af: dat stukje krijgt geen zuurstof meer toegevoerd omdat de weg er naartoe is afgebroken.

Bij een herseninfarct (dit komt vijf keer zo vaak voor als een bloeding) wordt de toevoer van zuurstof tijdelijk stop gezet; de weg naar een bepaalde plek in de hersenen wordt dan verstopt door een bloedpropje.
Mensen met een herseninfarct herstellen vaak beter en sneller dan mensen met een hersenbloeding. De prognose is beter.
Andere oorzaken van hersenletsel kunnen zijn: ziekten als Multiple Sclerose en Parkinson, hersentumoren, het syndroom van Korsakov (na overmatig drankgebruik), en ook zeer ernstige vormen van epilepsie.

Gevolgen van hersenletsel
De plaats waar de hersenen aangetast worden is van grote invloed op het toekomstige gedrag, gevoel, op de mogelijkheden en beperkingen.
Wanneer de hersenstam wordt geraakt, bijvoorbeeld bij een ongeval, zijn de levensfuncties niet meer onder controle te houden; iemand raakt dan in een coma.

De hersenen hebben tijd nodig om alternatieve informatiestroompjes te bouwen, en ervoor te zorgen dat de hersenstam weer kan gaan functioneren.
De hersenen schakelen dan heel slim de rest van het lichaam even “uit” (alleen de allerbelangrijkste dingen gaan door: de bloedtoevoer, zuurstofopname), waardoor het alle energie kan gebruiken voor de “heropbouw”. Hoe lang iemand in een coma blijft en wanneer en of hij of zij er weer uit komt, hangt af van de ernst van het letsel en de mogelijkheden van de hersenen…

Andere gevolgen kunnen zijn: stoornissen in het slaap-waakritme, stoornissen in het alert zijn, dubbelzien, duizeligheid, en moeite met het slikken.

Wanneer de kleine hersenen worden geraakt zien we dat bewegingen niet meer soepel, wat houterig, verlopen.

Als de tussenhersenen geraakt zijn kan binnenkomende informatie via de zintuigen niet goed meer verwerkt worden (Aanbranden van eten: niet het vuur uitzetten en de pan van het vuur halen, maar in paniek het huis uit vluchten. Of het niet eens ruiken!).
Ook zal de emotionele toestand van de persoon volledig ontregeld zijn, “Jantje lacht, Jantje huilt” en het geheugen werkt niet optimaal meer.
De coördinatie van bewegingen kan anders gaan verlopen: eerst plassen, dan pas de broek naar beneden doen, of eerst schoenen en dan sokken aan.

Als de grote hersenen zijn aangedaan zien we verschillende gedragingen, afhankelijk of het de linker- of de rechterhersenhelft betreft:

• Links:

o Aandoening van de rechterlichaamshelft (verlamming bijv.)
o Afasie (stoornis in taalbegrip, taalgebruik, of beide)
o Gedeeltelijke uitval van de rechtergezichtsvelden (bij beide
ogen: de rechterhelft van het beeld niet kunnen zien)
o Niet bewust zijn van wat waargenomen wordt (iets zien, maar
niet weten wat het ook al weer is)
o Waarnemingsstoornissen (bv. Een bocht zien in een rechte weg)
o Apraxie (niet meer weten hoe een handeling moet worden
verricht, bijv. aankleden)
o Blijven hangen in bepaald gedrag, steeds maar door willen
gaan (persevereren), niet uit zichzelf kunnen stoppen
o Langzaam, voorzichtig gedrag.

• Rechts:

o Aandoening van de linker lichaamshelft
o (Gedeeltelijke) gezichtsuitval van de linker gezichtsvelden
o Slecht ziekte-inzicht
o Moeite met het inschatten van sociale situaties
o Niet goed weten wanneer je wel en niet iets kunt zeggen of
doen
o Moeite om “to the point” te komen
o Letterlijke betekenis geven aan figuurlijke taal
o Moeite hebben met humor (geen begrip)
o Stoornissen in de ruimtelijke waarneming (verdwalen)
o Moeite met rekenen en getallen
o Verwaarlozen van de linkerhelft van het lichaam of de kamer
o Apraxie (niet meer weten hoe een handeling hoort)
o Niet herkennen van gezichtsuitdrukkingen en mimiek
o Stoornissen in taal-, denk- en geheugenprocessen
o Snel en impulsief gedrag


Als het letsel frontaal is: geen belangstelling voor de omgeving, egocentrisme, apathie, initiatiefloosheid, emotionele vervlakking, maar ook het tegenovergestelde: ontremd gedrag, zich niet gedragen “zoals het hoort” (decorumverlies), het eigen gedrag slecht kunnen corrigeren, niet flexibel zijn, grote afleidbaarheid.

Wanneer de kleine hersenen zijn getroffen: coördinatiestoornissen (de eigen arm niet kunnen “sturen”), moeite met evenwicht, en stoornissen in de oogmotoriek (de dingen niet in perspectief kunnen zien).

Er kunnen meerdere gebieden tegelijk zijn aangetast, en er kunnen ook verschillende kenmerken tegelijk voorkomen (zelfs als deze tegenstrijdig zijn). Dit zorgt ervoor dat het erg moeilijk is het gedrag van de persoon met NAH in het juiste kader te plaatsen: waarom doet hij of zij iets (of juist niet?)…


Begeleiding
Het is goed duidelijk te hebben welk gedrag bij de betreffende persoon herkenbaar is.
Gebruik hiervoor het lijstje met de gevolgen van hersenletsel.
Ga daarna kijken welke punten aangepakt, veranderd zouden kunnen worden.

Als iemand alleen iets leert van een situatie als hij of zij er zelf meerwaarde uit kan halen (bijvoorbeeld aandacht!), kleedt dan de problematische situatie zo aan door alternatief gedrag ook die meerwaarde te verdienen valt.
Onthoudt dat gedrag, zeker als het al jaren en jaren bestaat en goedgekeurd of oogluikend toegestaan is, niet makkelijk te veranderen is.

De persoon begrijpt namelijk niet waarom iets eerst wel, en nu weer niet mag of kan! Probeer de achtergrond van gedrag te begrijpen…

Ook belangrijk om te onthouden is het volgende: iemand KAN een bepaalde handeling soms uiteindelijk wel uitvoeren, maar of hij ook al die handelingen op een bepaald moment nog steeds AANkan is een heel ander verhaal.
Soms heeft iemand de ene dag net wat meer ondersteuning nodig dan de andere dag. Hij kan dan net iets minder aan.

Het niet op woorden kunnen komen, of onduidelijk praten zijn hier voorbeelden van.
Als er al veel moeite gedaan moet worden om deze dag goed door te komen (doordat er veel “ruis” is in de omgeving: visite, vakantie, een verjaardag) mag de lat best iets lager gelegd worden.

Laat het dan maar even! Leer dus om de persoon met NAH te “lezen”, zodat je kan inschatten hoeveel ondersteuning hij vandaag, of op dit bewuste moment, nodig heeft.

Tenslotte
Probeer in de begeleiding van mensen met NAH rekening te houden met de complexe problematiek die is ontstaan als gevolg van een probleem in de hersenen.

Natuurlijk hoeft niet ieder gedrag zomaar geaccepteerd te worden; storende gedragingen kunnen soms omgebogen worden. Soms ook niet. Acceptatie is het belangrijkste uitgangspunt.

Pas daarna kan bekeken worden op welke manier het een en ander wat “bijgeschaafd” zou kunnen worden. Hierbij moeten ook tijdstippen, periodes, worden afgesproken: hoe lang ga je proberen iets te veranderen?

Het risico van overvraging is groot: te lang blijven proberen levert de nodige frustraties op. Niet alleen bij de begeleid(st)er, maar zeker ook bij de persoon met NAH.
Je soms neer kunnen leggen bij dingen en blij zijn met de goede dingen aan een persoon brengt rust. Voor iedereen.

Bronvermelding: Agno

https://www.agno.nl/index.php/2009/04/22/164/